Bouwsteen III: Positie van de jeugdige en diens ouders
Versie 1.1 | 26 oktober 2026
1. Context Positie van de jeugdige en diens ouders
Iedere jeugdige in een gezinshuis heeft een individueel hulpverleningsplan waarin de doelen van de gezinshuiszorg, ondersteuningsbehoeften, afspraken, verantwoordelijkheden en evaluatiemomenten zijn vastgelegd. Het plan komt tot stand met de jeugdige en, afhankelijk van leeftijd, ontwikkeling, gezag en rechtspositie, diens ouders of vertegenwoordigers. Waar nodig worden andere belangrijke personen en betrokken professionals betrokken.
De jeugdige en diens ouders of vertegenwoordigers worden overeenkomstig hun positie betrokken bij beslissingen over de hulp. Hun ervaringen, wensen en doelen worden meegewogen. Dit betekent niet dat alle betrokkenen dezelfde professionele of juridische verantwoordelijkheid of beslissingsbevoegdheid hebben.
Wanneer de gezinshuisouder geregistreerde professional is, draagt deze overeenkomstig Bouwsteen I in beginsel de professionele verantwoordelijkheid en regie voor het hulpverleningsplan van de gezinshuiszorg. Een gedragswetenschapper of andere professional neemt deze verantwoordelijkheid niet automatisch over. Een andere verdeling van professionele verantwoordelijkheden wordt inhoudelijk gemotiveerd en vastgelegd.
Wanneer de gezinshuisouder niet geregistreerd is, draagt deze vanuit de dagelijkse gezinshuiszorg bij aan het hulpverleningsplan binnen de eigen beroepskwalificatie en vakbekwaamheid. Voor werkzaamheden of verantwoordelijkheden waarvoor de norm verantwoorde werktoedeling een geregistreerde professional vereist, wordt deze ingeschakeld.
Gezinshuiszorg vindt plaats in een gezamenlijke woon- en leefomgeving. De wensen, rechten en ondersteuningsbehoeften van een jeugdige worden daarom ook afgewogen tegen diens veiligheid en ontwikkeling en de rechten en belangen van andere bewoners. Deze afwegingen worden gemotiveerd en met respect voor de rechtspositie van de jeugdige gemaakt.
Deze bouwsteen beschrijft hoe participatie, zeggenschap en rechtspositie van jeugdigen en ouders worden geborgd en hoe professionele en juridische verantwoordelijkheden van elkaar worden onderscheiden.
2. Beschrijving van kwaliteit: positie, participatie en rechtsbescherming van jeugdige en ouders
2.1 Basisrechten, informatie en participatie
Iedere jeugdige in een gezinshuis heeft recht op veilige en verantwoorde jeugdhulp, respect voor de persoonlijke levenssfeer, lichamelijke integriteit, identiteit en autonomie en op een bejegening die aansluit bij leeftijd, ontwikkeling, achtergrond en ondersteuningsbehoefte. De uitwerking van privacy, autonomie, vrijheid en het woon- en leefklimaat is opgenomen in Bouwsteen II – Leefklimaat in gezinshuizen.
De jeugdige wordt betrokken bij beslissingen over de eigen hulp en het dagelijks leven. Informatie wordt tijdig en begrijpelijk gegeven. De jeugdige krijgt ruimte om wensen, ervaringen, zorgen, voorkeuren en bezwaren kenbaar te maken en krijgt uitleg over wat met deze inbreng wordt gedaan. Deze ervaringen worden ook benut bij het evalueren en verbeteren van de hulp.
Ouders of andere wettelijke vertegenwoordigers worden betrokken overeenkomstig hun juridische positie. De rechten op informatie, inspraak, toestemming, dossierinzage en besluitvorming hangen onder meer samen met de leeftijd en ontwikkeling van de jeugdige, het gezag en de juridische situatie. De jeugdige en diens ouders of vertegenwoordigers worden geïnformeerd over de rechten die voor hen gelden bij de hulp, het hulpverleningsplan, toestemming en het dossier.
Wanneer een verzoek niet kan worden gehonoreerd of van de inbreng van de jeugdige, ouder of vertegenwoordiger wordt afgeweken, wordt dit begrijpelijk toegelicht voor zover de betrokkene recht heeft op die informatie. Participatie betekent niet dat alle betrokkenen dezelfde professionele, organisatorische of juridische verantwoordelijkheid of beslissingsbevoegdheid hebben.
2.2 Onafhankelijke vertrouwenspersoon en klachten
Iedere jeugdige en ouder die met gezinshuiszorg te maken heeft, wordt tijdig en begrijpelijk geïnformeerd over het recht op ondersteuning door de onafhankelijke vertrouwenspersoon voor de jeugdhulp en over de wijze waarop deze rechtstreeks kan worden bereikt.
De onafhankelijke vertrouwenspersoon is zonder onnodige drempels toegankelijk. Een jeugdige of ouder heeft geen toestemming van de gezinshuisouder of zorgaanbieder nodig om contact op te nemen en krijgt hiervoor passende privacy en gelegenheid.
Een jeugdige kan daarnaast een eigen vertrouwd persoon uit familie, netwerk of omgeving hebben. Deze persoonlijke vertrouwensfiguur kan de jeugdige ondersteunen, maar vervangt niet de onafhankelijke vertrouwenspersoon die vanuit de jeugdhulp beschikbaar is.
Jeugdigen en ouders worden tevens geïnformeerd over de geldende klachtenregeling, de wijze waarop zij onvrede of een klacht kenbaar kunnen maken en de mogelijkheden om daarbij onafhankelijke ondersteuning te ontvangen. Het indienen van een klacht of het benaderen van een vertrouwenspersoon heeft geen negatieve gevolgen voor de bejegening of hulpverlening.
2.3 Passende zorg en zorgvuldige matching
Een plaatsing in een gezinshuis vindt plaats na een professionele afweging of de ontwikkelings- en ondersteuningsbehoeften, het perspectief en de risico’s van de jeugdige aansluiten bij de deskundigheid, capaciteit, ondersteuning, samenstelling en uitvoerbaarheid van het gezinshuis. Daarbij wordt ook beoordeeld welke begeleiding, behandeling, deskundigheid of samenwerking nodig is om verantwoorde gezinshuiszorg te bieden.
Bij de matching worden de gevolgen van een plaatsing voor andere jeugdigen en bewoners, eigen kinderen van de gezinshuisouder, de onderlinge dynamiek, veiligheid en het functioneren van het gezinshuis als geheel meegewogen.
Een gezinshuis biedt als uitgangspunt plaats aan maximaal zes geplaatste jeugdigen. Het verantwoorde aantal wordt mede bepaald door de ondersteuningsbehoeften van de jeugdigen, de samenstelling van het gezinshuis, de aanwezigheid van eigen kinderen, de beschikbare capaciteit en ondersteuning, de personele inzet en de mogelijkheid om iedere jeugdige aandacht, nabijheid en continuïteit te bieden.
Van het uitgangspunt van maximaal zes geplaatste jeugdigen kan gemotiveerd worden afgeweken wanneer de kwaliteit en veiligheid van de zorg, de aandacht voor iedere jeugdige, de continuïteit van relaties en het gezinsgerichte karakter gewaarborgd blijven. Bij meer dan zes geplaatste jeugdigen wordt beoordeeld of de omvang, samenstelling en personele inzet nog passen bij gezinshuiszorg en of de dagelijkse opvoeding, begeleiding en ondersteuning nog hoofdzakelijk vanuit duurzame relaties en het gezamenlijke gezinsgerichte leven worden geboden, en niet het karakter krijgen van groepsgerichte residentiële zorg.
De jeugdige en, overeenkomstig leeftijd, ontwikkeling en juridische positie, diens ouders worden betrokken bij de voorbereiding en besluitvorming over de plaatsing. Zij krijgen begrijpelijke informatie over het gezinshuis, de samenstelling, het dagelijks leven en de zorg. Waar mogelijk vindt vooraf een kennismaking plaats.
Een plaatsing vindt alleen plaats wanneer de benodigde gezinshuiszorg verantwoord kan worden geboden of wanneer noodzakelijke aanvullende deskundigheid en ondersteuning zijn georganiseerd. Matching is daarmee een kwaliteits- en veiligheidsafweging en niet alleen de vraag of een jeugdige bij een gezinshuis ‘past’.
De passendheid van de plaatsing wordt opnieuw beoordeeld wanneer de zorgvraag, samenstelling, veiligheid, capaciteit of andere omstandigheden veranderen.
2.4 Positie van ouders en netwerk
Ouders en familie maken deel uit van de levensgeschiedenis en identiteit van de jeugdige en kunnen, ook wanneer de jeugdige niet bij hen woont, van belangrijke betekenis zijn voor diens ontwikkeling, verbondenheid en welzijn. De gezinshuisouder erkent deze betekenis en werkt, binnen de juridische en inhoudelijke kaders rond de jeugdige, waar mogelijk met ouders en andere belangrijke personen samen.
De jeugdige en diens ouders worden overeenkomstig hun positie betrokken bij het opstellen, uitvoeren en evalueren van de hulp. Hun kennis, ervaringen, wensen, zorgen en perspectieven worden serieus meegewogen.
Gezamenlijke besluitvorming wordt zoveel mogelijk nagestreefd. Daarbij wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen informatie ontvangen, meepraten, instemmen en formeel beslissen. Wie bevoegd is een besluit te nemen, hangt af van de aard van het besluit, de leeftijd en rechtspositie van de jeugdige, het gezag en de professionele en wettelijke verantwoordelijkheid van de betrokkenen.
Met ouders worden, waar passend, duidelijke afspraken gemaakt over hun rol bij de opvoeding en begeleiding, informatie-uitwisseling, contact met de jeugdige, deelname aan belangrijke gebeurtenissen en samenwerking met het gezinshuis. Deze afspraken zijn voor alle betrokkenen begrijpelijk en worden aangepast wanneer omstandigheden of juridische posities wijzigen.
De jeugdige wordt niet in een positie gebracht waarin deze het gevoel krijgt te moeten kiezen tussen ouders, familie, het gezinshuis of andere belangrijke personen. Verschillen van inzicht tussen volwassenen worden zoveel mogelijk buiten de jeugdige om professioneel besproken.
2.5 Hulpverleningsplan en gezamenlijke besluitvorming
Iedere jeugdige beschikt over een actueel individueel hulpverleningsplan voor de gezinshuiszorg. Het hulpverleningsplan komt tot stand in samenspraak met de jeugdige en, overeenkomstig leeftijd, ontwikkeling, gezag en rechtspositie, diens ouders of vertegenwoordigers. De inbreng van de jeugdige en ouders wordt zichtbaar meegewogen. Waar relevant worden andere belangrijke personen en betrokken professionals bij het plan betrokken.
De jeugdige krijgt uitleg over de doelen en afspraken in het plan en over wat van de verschillende betrokkenen wordt verwacht. Het plan wordt periodiek en bij relevante veranderingen in ontwikkeling, zorgvraag, risico’s, perspectief of omstandigheden geëvalueerd en waar nodig bijgesteld.
Wanneer een professioneel of juridisch besluit afwijkt van de wens van de jeugdige of diens ouders, wordt dit begrijpelijk toegelicht en is duidelijk wie bevoegd en verantwoordelijk is voor het besluit.
Wanneer de gezinshuisouder geregistreerde professional is, draagt deze overeenkomstig Bouwsteen I in beginsel de professionele verantwoordelijkheid en regie voor het hulpverleningsplan van de gezinshuiszorg. De gezinshuisouder stelt het plan binnen de eigen professionele verantwoordelijkheid op, stelt het vast, evalueert het en stelt het waar nodig bij. Aanvullende specialistische deskundigheid wordt betrokken wanneer de aard of complexiteit van de zorg, de grenzen van de eigen vakbekwaamheid of de ondersteuningsbehoeften van de jeugdige daarom vragen.
De betrokkenheid van een gedragswetenschapper, behandelaar of andere professional leidt niet automatisch tot overdracht van de professionele verantwoordelijkheid voor het hulpverleningsplan van de gezinshuiszorg. Wanneer deze verantwoordelijkheid vanwege inhoudelijke redenen anders wordt belegd, is duidelijk waarom, bij wie en voor welke werkzaamheden of beslissingen.
Wanneer de gezinshuisouder niet geregistreerd is, levert deze vanuit de dagelijkse professionele opvoeding, begeleiding en ondersteuning zelfstandig een inhoudelijke bijdrage aan het opstellen, uitvoeren, evalueren en bijstellen van het hulpverleningsplan. Voor werkzaamheden en professionele verantwoordelijkheden waarvoor op grond van de norm verantwoorde werktoedeling een geregistreerde professional noodzakelijk is, wordt deze betrokken.
Wanneer een gecertificeerde instelling betrokken is, worden het hulpverleningsplan van de gezinshuiszorg en het plan of kader waarvoor de gecertificeerde instelling verantwoordelijk is inhoudelijk op elkaar afgestemd. De onderscheiden professionele en juridische verantwoordelijkheden blijven daarbij herkenbaar. De wettelijke verantwoordelijkheid of regierol van de gecertificeerde instelling leidt binnen dit kwaliteitskader niet automatisch tot overdracht van de professionele verantwoordelijkheid voor het hulpverleningsplan van de gezinshuiszorg aan de gecertificeerde instelling, een gedragswetenschapper of een andere professional.
2.6 Perspectief, continuïteit en overgangen
Voor iedere jeugdige wordt zo vroeg mogelijk duidelijkheid nagestreefd over het perspectief van verblijf en opgroeien. Dit kan onder meer terugkeer naar ouders, langdurig verblijf in het gezinshuis of een andere passende woon- en opvoedplek betreffen.
Perspectiefbesluiten worden zorgvuldig voorbereid en genomen binnen de daarvoor geldende professionele en juridische verantwoordelijkheden. De jeugdige en diens ouders worden hierbij passend bij hun positie betrokken. De gezinshuisouder levert vanuit de dagelijkse professionele opvoeding, begeleiding en ondersteuning een wezenlijke inhoudelijke bijdrage door observaties en professionele afwegingen over ontwikkeling, behoeften, relaties, veiligheid en mogelijkheden van de jeugdige in te brengen.
Professionele oordelen vanuit de gezinshuiszorg en formele juridische besluiten over bijvoorbeeld verblijf, gezag of kinderbeschermingsmaatregelen worden van elkaar onderscheiden. De gezinshuisouder neemt geen juridische beslissingen waarvoor een andere persoon, organisatie of rechter bevoegd is.
Continuïteit van opvoeding, relaties, onderwijs, behandeling en ondersteuning weegt zwaar bij besluiten over voortzetting, wijziging of beëindiging van een plaatsing. Een wijziging van verblijf vindt plaats op basis van een zorgvuldige afweging van de behoeften, veiligheid, ontwikkeling en het perspectief van de jeugdige en niet uitsluitend vanwege organisatorische of financiële overwegingen.
Wanneer voortzetting van een plaatsing onder druk staat, wordt tijdig onderzocht welke aanvullende ondersteuning, deskundigheid, aanpassing van de zorg of organisatorische oplossing kan bijdragen aan het verantwoord voortzetten van de plaatsing. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de duurzame uitvoerbaarheid zoals beschreven in Bouwsteen II.
Wanneer beëindiging of overplaatsing noodzakelijk is, wordt deze zorgvuldig en zoveel mogelijk tijdig voorbereid. Er wordt naar een passende vervolgplek gezocht, relevante kennis en afspraken worden zorgvuldig overgedragen en de jeugdige wordt op een bij leeftijd en ontwikkeling passende wijze voorbereid en ondersteund.
Wanneer acute veiligheid onmiddellijk handelen vereist, kan een versnelde overgang noodzakelijk zijn. Ook dan worden noodzakelijke zorg, informatieoverdracht en ondersteuning zo goed mogelijk geborgd.
Waar mogelijk wordt aandacht besteed aan het behouden van voor de jeugdige betekenisvolle relaties na vertrek uit het gezinshuis, waaronder relaties met de gezinshuisouder, andere bewoners en personen uit het netwerk, wanneer dit passend en gewenst is.
2.7 Duidelijkheid over gezag, regie en professionele verantwoordelijkheid
Voor iedere jeugdige is duidelijk wie het gezag uitoefent, wie welke juridische beslissingen mag nemen en welke gevolgen dit heeft voor informatie, toestemming en betrokkenheid bij de hulp. Deze informatie is bekend bij de jeugdige, diens ouders of vertegenwoordigers, de gezinshuisouder en andere relevante professionals.
Het bieden van dagelijkse professionele opvoeding, begeleiding en ondersteuning geeft de gezinshuisouder op zichzelf geen ouderlijk gezag. Gezag, juridische beslissingsbevoegdheid, professionele verantwoordelijkheid van individuele professionals en organisatorische verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder zijn verschillende verantwoordelijkheden en worden niet met elkaar verward.
Voor de jeugdige en diens ouders is duidelijk welke professional professionele verantwoordelijkheid en regie draagt voor de gezinshuiszorg en het hulpverleningsplan en welke andere professionals voor specifieke onderdelen verantwoordelijk zijn.
Wanneer de gezinshuisouder geregistreerde professional is, draagt deze overeenkomstig Bouwsteen I in beginsel professionele verantwoordelijkheid en regie voor het hulpverleningsplan en de gezinshuiszorg. De norm verantwoorde werktoedeling brengt niet op zichzelf mee dat een gedragswetenschapper of andere geregistreerde professional inhoudelijk boven de gezinshuisouder staat of diens professionele beslissingen standaard moet goedkeuren.
Wanneer de gezinshuisouder niet geregistreerd is, is duidelijk welke werkzaamheden en professionele afwegingen deze zelfstandig uitvoert binnen de eigen beroepskwalificatie en vakbekwaamheid en voor welke werkzaamheden of verantwoordelijkheden een geregistreerde professional noodzakelijk is. Taakverdeling, professionele regie, overleg, achtervang en bereikbaarheid zijn duidelijk georganiseerd.
Wanneer meerdere professionals of organisaties betrokken zijn, worden verantwoordelijkheden niet onnodig gestapeld of dubbel belegd. Voor de jeugdige, ouders en professionals is duidelijk wie waarvoor verantwoordelijk en aanspreekbaar is, wie welke beslissingen mag nemen en hoe wordt gehandeld bij verschil van inzicht.
3. Veldnormen positie, participatie en rechtsbescherming
3.1 Basisrechten, informatie en participatie
De gezinshuisouder en zorgaanbieder:
- Respecteren de rechten, persoonlijke levenssfeer, lichamelijke integriteit, identiteit en autonomie van iedere jeugdige;
- Informeren de jeugdige tijdig en op een wijze die past bij leeftijd, ontwikkeling en communicatiemogelijkheden over de hulp, gemaakte afspraken en beslissingen die de jeugdige aangaan;
- Betrekken de jeugdige actief bij het opstellen, uitvoeren, evalueren en bijstellen van de hulp en geven ruimte om wensen, zorgen, voorkeuren, bezwaren en ervaringen kenbaar te maken;
- Maken voor de jeugdige inzichtelijk wat met diens mening en inbreng is gedaan en lichten het begrijpelijk toe wanneer hiervan wordt afgeweken;
- Betrekken ouders of andere wettelijke vertegenwoordigers overeenkomstig hun juridische positie bij informatie, overleg, toestemming en besluitvorming;
- Maken voor jeugdige en ouders duidelijk welke rechten op informatie, toestemming en toegang tot het dossier voor hen gelden en wie op grond van leeftijd, gezag en rechtspositie bevoegd is beslissingen te nemen;
- Zorgen ervoor dat jeugdige en ouders weten bij wie zij terechtkunnen met vragen, zorgen, onvrede of klachten;
- Benutten ervaringen en inbreng van jeugdige en ouders aantoonbaar bij evaluatie en verbetering van de gezinshuiszorg.
3.2 Onafhankelijke vertrouwenspersoon en klachten
De gezinshuisouder en zorgaanbieder:
- Informeren iedere jeugdige en ouder tijdig en begrijpelijk over het recht op ondersteuning door de onafhankelijke vertrouwenspersoon voor de jeugdhulp en over de wijze waarop deze rechtstreeks kan worden bereikt;
- Zorgen ervoor dat de jeugdige zonder toestemming van de gezinshuisouder of zorgaanbieder contact kan opnemen met de onafhankelijke vertrouwenspersoon en daarvoor voldoende privacy en gelegenheid krijgt;
- Werken mee aan de toegang van de onafhankelijke vertrouwenspersoon tot jeugdigen en belemmeren het onafhankelijke vertrouwenswerk niet;
- Respecteren dat een jeugdige daarnaast een eigen vertrouwd persoon uit familie, netwerk of omgeving kan betrekken;
- Maken duidelijk dat een persoonlijke vertrouwensfiguur uit het netwerk niet in de plaats treedt van de onafhankelijke vertrouwenspersoon voor de jeugdhulp;
- Informeren jeugdigen en ouders over de geldende klachtenregeling, de wijze waarop een klacht kan worden ingediend en de mogelijkheden om daarbij ondersteuning te ontvangen;
- Waarborgen dat het uiten van onvrede, het indienen van een klacht of het benaderen van een vertrouwenspersoon niet leidt tot benadeling in de hulpverlening of bejegening.
3.3 Passende zorg en zorgvuldige matching
De gezinshuisouder en zorgaanbieder:
- Zorgen ervoor dat voor iedere plaatsing een zorgvuldige en aantoonbare matching plaatsvindt tussen de ontwikkelings- en ondersteuningsbehoeften, het perspectief en relevante risico’s van de jeugdige en de beschikbare deskundigheid, professionele capaciteit, ondersteuning, samenstelling en duurzame uitvoerbaarheid van het gezinshuis;
- Brengen voorafgaand aan de plaatsing relevante krachten, behoeften, risico’s en omstandigheden van de jeugdige in beeld en vertalen deze naar benodigde begeleiding, deskundigheid, behandeling en aanvullende ondersteuning;
- Beoordelen bij een nieuwe plaatsing tevens de mogelijke gevolgen voor andere jeugdigen en bewoners, eventuele eigen kinderen, de onderlinge dynamiek, veiligheid en het functioneren van het gezinshuis als geheel;
- Hanteren als uitgangspunt dat een gezinshuis aan maximaal zes geplaatste jeugdigen gezinshuiszorg biedt;
- Bepalen het verantwoorde aantal jeugdigen mede op basis van zorgzwaarte, samenstelling, beschikbare deskundigheid en professionele capaciteit, benodigde personele inzet, veiligheid, individuele aandacht en duurzame uitvoerbaarheid;
- Motiveren en leggen vast wanneer van het uitgangspunt van maximaal zes geplaatste jeugdigen wordt afgeweken en beoordelen daarbij of kwaliteit, veiligheid, relationele continuïteit, individuele aandacht, het gezinsgerichte karakter en de organisatie en personele inzet voldoende zijn geborgd om van gezinshuiszorg te kunnen blijven spreken en niet van groepsgerichte residentiële zorg;
- Betrekken de jeugdige en, overeenkomstig leeftijd, ontwikkeling en rechtspositie, diens ouders bij kennismaking en besluitvorming over de plaatsing;
- Geven vooraf begrijpelijke en realistische informatie over het gezinshuis, de bewonerssamenstelling, het dagelijks leven en de aard van de professionele zorg;
- Organiseren waar mogelijk een passende kennismaking voorafgaand aan de plaatsing;
- Laten een plaatsing alleen doorgaan wanneer de benodigde zorg verantwoord kan worden geboden of noodzakelijke aanvullende deskundigheid en ondersteuning aantoonbaar zijn georganiseerd;
- Beoordelen de passendheid van een plaatsing opnieuw bij wezenlijke veranderingen in de zorgvraag, veiligheid, samenstelling, professionele capaciteit of andere relevante omstandigheden.
3.4 Positie van ouders en netwerk
De gezinshuisouder:
- Kent de voor de jeugdige belangrijke personen en betrekt hun mogelijke betekenis voor identiteit, ontwikkeling, verbondenheid en welzijn bij de dagelijkse begeleiding;
- Respecteert de positie en rechtspositie van ouders en werkt, binnen de juridische en inhoudelijke kaders rond de jeugdige, waar mogelijk actief met hen samen;
- Maakt met jeugdige en ouders duidelijke afspraken over contact, informatie-uitwisseling, betrokkenheid bij de opvoeding en begeleiding en de verdeling van verantwoordelijkheden;
- Betrekt de wensen, ervaringen, kennis en perspectieven van jeugdige en ouders zichtbaar bij het opstellen, uitvoeren, evalueren en bijstellen van de hulp;
- Maakt bij besluiten duidelijk wie inspraak heeft en wie formeel bevoegd is het besluit te nemen;
- Licht een besluit dat afwijkt van de wens van de jeugdige of ouders begrijpelijk toe;
- Voorkomt dat de jeugdige in een positie wordt gebracht waarin deze het gevoel krijgt te moeten kiezen tussen ouders, familie, gezinshuis of andere belangrijke personen.
3.5 Hulpverleningsplan en gezamenlijke besluitvorming
De gezinshuisouder en zorgaanbieder:
- Zorgen ervoor dat voor iedere jeugdige een actueel individueel hulpverleningsplan voor de gezinshuiszorg beschikbaar is;
- Betrekken de jeugdige en diens ouders of vertegenwoordigers, passend bij leeftijd, ontwikkeling, gezag en rechtspositie, bij het opstellen, uitvoeren, evalueren en bijstellen van het plan;
- Zorgen ervoor dat de jeugdige begrijpt welke doelen en afspraken gelden en weet wie waarvoor verantwoordelijk is;
- Evalueren het hulpverleningsplan periodiek en bij relevante veranderingen in ontwikkeling, zorgvraag, veiligheid, perspectief of omstandigheden;
- Hanteren als uitgangspunt dat een gezinshuisouder die geregistreerde professional is overeenkomstig Bouwsteen I de professionele verantwoordelijkheid en regie voor het hulpverleningsplan van de gezinshuiszorg draagt en het plan vanuit die verantwoordelijkheid opstelt, vaststelt, evalueert en waar nodig bijstelt;
- Dragen de professionele verantwoordelijkheid van de geregistreerde gezinshuisouder niet automatisch over vanwege de betrokkenheid van een gedragswetenschapper, behandelaar of andere professional;
- Leggen een afwijking van dit uitgangspunt inhoudelijk en navolgbaar vast wanneer de aard of complexiteit van de zorg, benodigde specialistische deskundigheid of grenzen van vakbekwaamheid daartoe aanleiding geven;
- Zorgen ervoor dat een niet-geregistreerde gezinshuisouder zelfstandig bijdraagt aan het hulpverleningsplan binnen de eigen beroepskwalificatie en vakbekwaamheid en dat een geregistreerde professional wordt betrokken bij werkzaamheden en verantwoordelijkheden waarvoor de norm verantwoorde werktoedeling dit vereist;
- Stemmen bij betrokkenheid van een gecertificeerde instelling het hulpverleningsplan van de gezinshuiszorg af op het plan en de juridische kaders waarvoor de gecertificeerde instelling verantwoordelijk is, zonder de onderscheiden professionele en juridische verantwoordelijkheden te vermengen;
- Zorgen ervoor dat de wettelijke of regisserende positie van een gecertificeerde instelling niet op zichzelf leidt tot overdracht van de professionele verantwoordelijkheid voor het hulpverleningsplan van de gezinshuiszorg.
3.6 Perspectief, continuïteit en overgangen
De gezinshuisouder en zorgaanbieder:
- Zorgen ervoor dat voor iedere jeugdige duidelijk is welk perspectief van verblijf en opgroeien wordt nagestreefd of welke stappen worden gezet om daar zo spoedig mogelijk duidelijkheid over te verkrijgen;
- Brengen vanuit de dagelijkse professionele opvoeding, begeleiding en ondersteuning relevante informatie en professionele afwegingen over ontwikkeling, relaties, veiligheid, behoeften en mogelijkheden van de jeugdige in bij perspectiefbesluiten;
- Onderscheiden professionele besluitvorming over de gezinshuiszorg van formele juridische besluitvorming over onder meer gezag, kinderbeschermingsmaatregelen en verblijfplaats;
- Wegen continuïteit van opvoeding, betekenisvolle relaties, onderwijs, behandeling en ondersteuning aantoonbaar mee bij besluiten over voortzetting, wijziging of beëindiging van een plaatsing;
- Baseren een wijziging van verblijf op een zorgvuldige afweging van behoeften, veiligheid, ontwikkeling en perspectief van de jeugdige en niet uitsluitend op organisatorische of financiële overwegingen;
- Onderzoeken bij een dreigende beëindiging van de plaatsing tijdig welke aanvullende ondersteuning, deskundigheid, aanpassing van zorg of organisatorische oplossing kan bijdragen aan het verantwoord voortzetten van de plaatsing;
- Zoeken, wanneer overplaatsing noodzakelijk is, tijdig naar een passende vervolgplek en bereiden de overgang zorgvuldig voor;
- Dragen relevante kennis, afspraken, risico-informatie en informatie over benodigde ondersteuning zorgvuldig over;
- Waarborgen ook bij een onverwachte of vanwege acute veiligheid versnelde overgang zoveel mogelijk de continuïteit van noodzakelijke zorg en ondersteuning;
- Bespreken met de jeugdige welke betekenisvolle relaties na vertrek behouden kunnen blijven en ondersteunen dit waar passend en gewenst.
3.7 Duidelijkheid over gezag, regie en professionele verantwoordelijkheid
De gezinshuisouder en zorgaanbieder:
- Zorgen ervoor dat voor iedere jeugdige is vastgelegd wie het gezag uitoefent en welke gevolgen dit heeft voor informatie, toestemming en besluitvorming;
- Maken voor jeugdige, ouders en betrokken professionals duidelijk welke professional professionele verantwoordelijkheid en regie draagt voor de gezinshuiszorg en het hulpverleningsplan;
- Onderscheiden ouderlijk gezag, juridische beslissingsbevoegdheid, professionele verantwoordelijkheid van individuele professionals en organisatorische verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder;
- Maken duidelijk dat het bieden van dagelijkse professionele opvoeding, begeleiding en ondersteuning de gezinshuisouder op zichzelf geen ouderlijk gezag geeft;
- Hanteren als uitgangspunt dat een gezinshuisouder die geregistreerde professional is overeenkomstig Bouwsteen I in beginsel zelf de professionele verantwoordelijkheid en regie voor de gezinshuiszorg en het hulpverleningsplan draagt;
- Gaan er niet van uit dat de norm verantwoorde werktoedeling op zichzelf inhoudelijk toezicht, goedkeuring of verantwoordelijkheid van een tweede geregistreerde professional of gedragswetenschapper vereist wanneer het werk verantwoord aan een geregistreerde gezinshuisouder is toebedeeld;
- Maken bij een niet-geregistreerde gezinshuisouder duidelijk welke professionele werkzaamheden deze zelfstandig uitvoert binnen de eigen beroepskwalificatie en vakbekwaamheid en voor welke werkzaamheden of verantwoordelijkheden een geregistreerde professional noodzakelijk is;
- Organiseren bij gecombineerde inzet een duidelijke verdeling van taken en verantwoordelijkheden en zorgen voor passende mogelijkheden voor overleg, achtervang en bereikbaarheid;
- Maken bij betrokkenheid van meerdere professionals of organisaties duidelijk wie waarvoor verantwoordelijk en aanspreekbaar is, wie welke beslissingen mag nemen en wie bij verschil van inzicht de regie voert;
- Voorkomen dat dezelfde professionele verantwoordelijkheid onnodig bij meerdere personen tegelijk wordt belegd, waardoor voor jeugdige, ouders of professionals onduidelijkheid ontstaat over wie daadwerkelijk verantwoordelijk is.
