Bouwsteen IV: Professionele organisatie, kwaliteit en verantwoording

Versie 1.1 | 26 oktober 2026

1. Context Professionele organisatie, kwaliteit en verantwoording

Een gezinshuis is een kleinschalige, gezinsgerichte vorm van professionele jeugdhulp. De huiselijke woon- en leefomgeving is kenmerkend voor gezinshuiszorg, maar doet niet af aan de professionele, organisatorische en wettelijke verantwoordelijkheden die aan het bieden van jeugdhulp zijn verbonden.

De gezinshuiszorg is zo georganiseerd dat jeugdigen en ouders kunnen rekenen op veilige, verantwoorde en continue zorg. Duidelijk is wie waarvoor verantwoordelijk is, welke professional welke werkzaamheden uitvoert, hoe professionele beslissingen tot stand komen en hoe kwaliteit, veiligheid en continuïteit worden geborgd.

Professionele en organisatorische verantwoordelijkheid worden onderscheiden. De jeugdhulpaanbieder is verantwoordelijk voor de organisatorische voorwaarden voor verantwoorde hulp, waaronder verantwoorde werktoedeling, vakbekwame inzet, continuïteit, veiligheid en kwaliteitsborging. De gezinshuisouder is binnen de eigen beroepskwalificatie, vakbekwaamheid, bevoegdheid en toebedeelde verantwoordelijkheid zelf verantwoordelijk voor het professionele handelen.

De organisatievorm bepaalt niet welke verantwoordelijkheden gelden, maar wel bij wie deze zijn belegd. Wanneer het gezinshuis zelf als jeugdhulpaanbieder optreedt, rusten de organisatorische verantwoordelijkheden van het aanbieder schap rechtstreeks op deze aanbieder. Wanneer de gezinshuisouder als zelfstandig ondernemer aan een andere jeugdhulpaanbieder is verbonden, is duidelijk welke partij als jeugdhulpaanbieder optreedt en hoe de organisatorische en professionele verantwoordelijkheden zijn verdeeld. In alle gevallen blijft de gezinshuisouder binnen de eigen beroepskwalificatie, vakbekwaamheid en toebedeelde verantwoordelijkheid aanspreekbaar voor het eigen professionele handelen.

Wanneer de gezinshuisouder geregistreerde professional is, draagt deze overeenkomstig Bouwsteen I in beginsel de professionele verantwoordelijkheid voor werkzaamheden binnen het eigen professionele domein en de eigen vakbekwaamheid en de professionele regie over het hulpverleningsplan van de gezinshuiszorg. De betrokkenheid van een gedragswetenschapper, behandelaar of andere professional leidt niet automatisch tot overdracht van deze verantwoordelijkheid. Een andere verdeling van professionele verantwoordelijkheden vindt alleen plaats wanneer de aard of complexiteit van de zorg, de benodigde specialistische deskundigheid of de grenzen van de vakbekwaamheid daartoe aanleiding geven en wordt gemotiveerd en vastgelegd.

Wanneer de gezinshuisouder niet geregistreerd is, voert deze zelfstandig de werkzaamheden en professionele afwegingen uit die passen bij de eigen beroepskwalificatie en vakbekwaamheid. Voor werkzaamheden of verantwoordelijkheden waarvoor de norm verantwoorde werktoedeling een geregistreerde professional vereist, wordt deze betrokken.

De jeugdhulpaanbieder borgt de voorwaarden die nodig zijn voor verantwoorde gezinshuiszorg, waaronder verantwoorde werktoedeling, privacy en informatiebeveiliging, dossiervoering, medicatieveiligheid, klachten en rechtsbescherming, incidenten en calamiteiten, personele continuïteit en professionele ontwikkeling.

Gezinshuiszorg wordt vaak geboden in een woonomgeving die voor de gezinshuisouder en eventuele gezinsleden ook de privéomgeving is. Professionele verantwoording, kwaliteitsbeoordeling en toezicht richten zich daarom op aspecten die relevant zijn voor kwaliteit, veiligheid, continuïteit, rechtmatigheid en de rechtspositie van jeugdigen. Zij geven geen algemene bevoegdheid om het privéleven van de gezinshuisouder of diens gezinsleden te beoordelen.

De inrichting van bestuur, toezicht, medezeggenschap en verantwoording sluit aan bij de omvang, rechtsvorm, complexiteit en risico’s van de jeugdhulpaanbieder. Kleinschaligheid vermindert de verantwoordelijkheid voor kwaliteit en verantwoording niet, maar vraagt om een proportionele inrichting daarvan.

Deze bouwsteen beschrijft de voorwaarden voor de professionele organisatie van gezinshuiszorg en de wijze waarop kwaliteit, veiligheid, verantwoordelijkheden, professionele autonomie, bestuur en continuïteit worden geborgd.       

2. Beschrijving van kwaliteit: professionele organisatie, kwaliteit en verantwoording

2.1 Professionele organisatie van de zorg

2.1.1 Vakbekwaamheid en aanvullende deskundigheid

De gezinshuisouder voert de dagelijkse professionele opvoeding, begeleiding en ondersteuning uit binnen de eigen beroepskwalificatie, vakbekwaamheid, bevoegdheid en professionele verantwoordelijkheid.

Welke aanvullende professionals of deskundigheid nodig zijn, wordt bepaald door de zorg- en ondersteuningsbehoeften van de jeugdigen, de aard en complexiteit van de zorg, relevante risico’s, de vakbekwaamheid van de gezinshuisouder en de verdeling van werkzaamheden overeenkomstig de norm verantwoorde werktoedeling. Wanneer diagnostiek, behandeling of specialistische deskundigheid nodig is, wordt hiervoor een bevoegde en vakbekwame professional betrokken.

Wanneer de gezinshuisouder geregistreerde professional is, draagt deze overeenkomstig Bouwsteen I in beginsel de professionele verantwoordelijkheid voor werkzaamheden binnen het eigen professionele domein en de vakbekwaamheid.

Wanneer de gezinshuisouder niet geregistreerd is, is duidelijk welke werkzaamheden deze zelfstandig uitvoert en voor welke werkzaamheden of professionele verantwoordelijkheden een geregistreerde professional nodig is.

Alle ingezette professionals en medewerkers beschikken over de kwalificatie en vakbekwaamheid die passen bij hun werkzaamheden en verantwoordelijkheden.

2.1.2 Diagnostiek en behandeling

Gezinshuiszorg bestaat uit professionele dagelijkse opvoeding, begeleiding en ondersteuning. Wanneer specialistische diagnostiek of behandeling nodig is, wordt deze uitgevoerd door een daarvoor bevoegde en vakbekwame professional. De gezinshuisouder werkt waar nodig met deze professional samen en vertaalt relevante behandeldoelen, adviezen en interventies, voor zover passend bij de eigen professionele rol, naar het dagelijks leven van de jeugdige.

De professionele verantwoordelijkheden van gezinshuisouder, behandelaar en andere betrokken professionals zijn duidelijk en worden niet onnodig samengevoegd. Betrokkenheid van een behandelaar leidt niet automatisch tot overdracht van de professionele regie over de gezinshuiszorg.

2.1.3 Professionele ontwikkeling en reflectie

De gezinshuisouder onderhoudt de eigen vakbekwaamheid en neemt structureel deel aan deskundigheidsbevordering en professionele reflectie.

Voor geregistreerde gezinshuisouders sluit dit aan bij de eisen die voortvloeien uit het betreffende beroepsregister. Voor niet-geregistreerde gezinshuisouders wordt structurele professionele ontwikkeling geborgd overeenkomstig Bouwsteen I – De vakbekwame gezinshuisouder.

Intervisie, supervisie en andere passende vormen van professionele reflectie worden benut om het handelen verder te ontwikkelen, grenzen van de eigen deskundigheid te herkennen, van ervaringen en incidenten te leren en de gezinshuiszorg duurzaam uit te voeren.

2.1.4 Personele ondersteuning

Naast de gezinshuisouder kunnen andere professionals en medewerkers worden ingezet voor dagelijkse begeleiding of specifieke ondersteuning. Hun inzet sluit aan bij hun opleiding, beroepskwalificatie, vakbekwaamheid, rol en verantwoordelijkheid.

Voor jeugdigen wordt het aantal verschillende personen dat structureel bij de dagelijkse zorg is betrokken zoveel mogelijk beperkt. Continuïteit, vertrouwdheid en voorspelbaarheid wegen mee bij de personele organisatie.

Taken, bevoegdheden, verantwoordelijkheden en aansturing van medewerkers zijn duidelijk. De gezinshuisouder is niet automatisch persoonlijk professioneel verantwoordelijk voor alle werkzaamheden die door andere professionals worden uitgevoerd.

2.1.5 Vervanging en professionele achtervang

De zorg is zodanig georganiseerd dat jeugdigen gedurende het etmaal kunnen rekenen op passende ondersteuning. Dit betekent niet dat één gezinshuisouder persoonlijk 24 uur per dag beschikbaar moet zijn.

Wanneer de gezinshuisouder niet beschikbaar is, wordt de dagelijkse zorg overgenomen door een voldoende toegeruste en bij voorkeur voor jeugdigen bekende vervanger.

Wanneer een vervanger niet geregistreerd is, wordt voor werkzaamheden of professionele verantwoordelijkheden waarvoor de norm verantwoorde werktoedeling een geregistreerde professional vereist passende professionele achtervang georganiseerd. De geregistreerde professional is bereikbaar voor overleg, ruggespraak en, waar nodig, professionele besluitvorming en verantwoordelijkheid.

Bij ziekte, verlof, scholing, tijdelijke uitval of andere afwezigheid is duidelijk hoe zowel de dagelijkse zorg als de noodzakelijke professionele verantwoordelijkheid worden voortgezet. De gezinshuisouder heeft voldoende mogelijkheden voor rust, herstel, vrije tijd, vakantie, scholing en professionele reflectie zonder dat de continuïteit van de zorg in gevaar komt.

2.2 Professionele samenwerking en ketensamenwerking

2.2.1 Samenwerking rond de jeugdige

De gezinshuisouder maakt als volwaardig professional deel uit van het multidisciplinaire team rond de jeugdige. Welke disciplines worden betrokken en de aard en intensiteit van hun inzet worden bepaald door de zorg- en ondersteuningsbehoeften van de jeugdige. Professionals brengen vanuit hun deskundigheid, rol en verantwoordelijkheid hun perspectief in. Samenwerking verandert de onderscheiden professionele, organisatorische en juridische verantwoordelijkheden niet.

Wanneer de gezinshuisouder geregistreerde professional is en professionele regie voert over de gezinshuiszorg, leidt samenwerking met andere professionals of organisaties niet automatisch tot overdracht van deze regie.

Professionals kunnen elkaar aanspreken op het professionele handelen. Tegenspraak, consultatie en reflectie maken deel uit van de samenwerking en vormen op zichzelf geen hiërarchische of toezichthoudende verhouding.

Continuïteit in betrokken professionals wordt zoveel mogelijk behouden. Bij wisselingen wordt de benodigde informatie overgedragen.

2.2.2 Toegang tot aanvullende expertise

Het gezinshuis beschikt, zelfstandig of via de jeugdhulpaanbieder, over een structurele samenwerkingsmogelijkheid met een gedragswetenschapper of andere daarvoor passend gekwalificeerde specialist. Deze deskundigheid is voldoende bereikbaar en beschikbaar voor consultatie, casuïstiekbespreking en advisering en supervisie.

De aard en intensiteit van deze betrokkenheid sluiten aan bij de ondersteuningsbehoeften en risico’s van de jeugdige en bij de beroepskwalificatie en vakbekwaamheid van de gezinshuisouder. De beschikbaarheid van gedragswetenschappelijke expertise betekent niet automatisch dat de gedragswetenschapper inhoudelijk toezicht houdt op de gezinshuisouder of professionele verantwoordelijkheid voor de gezinshuiszorg of het hulpverleningsplan overneemt.

Wanneer de gedragswetenschapper of een andere specialist voor bepaalde werkzaamheden of beslissingen professionele verantwoordelijkheid draagt, is duidelijk vastgelegd voor welke onderdelen dit geldt.

Daarnaast heeft de gezinshuisouder, zelfstandig of via de jeugdhulpaanbieder, tijdig toegang tot een professioneel netwerk en andere aanvullende deskundigheid die aansluit bij de zorg- en ondersteuningsbehoeften van de jeugdigen.

De gezinshuisouder weet wanneer en hoe aanvullende deskundigheid, diagnostiek, behandeling, juridische expertise of andere professionele ondersteuning kan worden betrokken en werkt waar nodig samen met onder andere verwijzers, gecertificeerde instellingen, gemeenten, onderwijs, behandelaren en andere relevante professionals.

Naar verwijzers en opdrachtgevers is transparant welke zorg het gezinshuis kan bieden, waar grenzen van deskundigheid en capaciteit liggen en welke aanvullende ondersteuning noodzakelijk is om verantwoorde zorg te kunnen bieden.

2.2.3 Matching en informatievoorziening

De inhoudelijke eisen aan matching zijn uitgewerkt in Bouwsteen III. Vanuit de organisatorische verantwoordelijkheid wordt het plaatsingsproces zo ingericht dat de gezinshuisouder daadwerkelijk vanuit de eigen professionele verantwoordelijkheid kan beoordelen of een plaatsing binnen het gezinshuis passend en verantwoord kan worden uitgevoerd.

Voorafgaand aan de plaatsing beschikt het gezinshuis tijdig over de informatie die redelijkerwijs noodzakelijk is voor een verantwoorde matching, veiligheidsinschatting en voorbereiding van de zorg. Het kan daarbij gaan om relevante informatie over ontwikkeling, ondersteuningsbehoeften, gezondheid, veiligheid, eerdere hulpverlening, betekenisvolle relaties en bekende risico’s.

2.2.4 Informele ondersteuning en professionele grenzen

Een persoonlijk netwerk van familie, vrienden, buren of collega-gezinshuisouders kan voor een gezinshuisouder ondersteunend zijn, maar een bepaald privé-netwerk is geen voorwaarde voor professionele vakbekwaamheid of verantwoorde gezinshuiszorg.

Wanneer personen uit het informele netwerk werkzaamheden in of rond het gezinshuis verrichten, is hun rol duidelijk. Zij nemen zonder passende beroepskwalificatie, vakbekwaamheid of registratie geen professionele werkzaamheden of verantwoordelijkheden over waarvoor deze vereist zijn.

De aanwezigheid van informele ondersteuners ontslaat de jeugdhulpaanbieder niet van de verantwoordelijkheid om professionele continuïteit, veiligheid en verantwoorde werktoedeling te organiseren.

2.3 Kwaliteit en veiligheid

2.3.1 Systematische kwaliteitsverbetering

Het gezinshuis en de jeugdhulpaanbieder werken systematisch en aantoonbaar aan kwaliteit en veiligheid.

Er is een passende kwaliteitscyclus waarin wordt gesignaleerd, geëvalueerd, geleerd, verbeterd en opnieuw beoordeeld. Verbeterpunten worden vastgelegd en vertaald naar concrete acties. Er wordt gevolgd of deze acties daadwerkelijk worden uitgevoerd en het beoogde effect hebben.

Terugkerende signalen worden niet uitsluitend als individueel probleem behandeld, maar worden waar nodig vertaald naar verbetering van de organisatie, werkwijze of randvoorwaarden van de gezinshuiszorg.

2.3.2 Veiligheidsmanagement

Het gezinshuis beschikt over een actuele en passende werkwijze voor het signaleren, beoordelen en beheersen van relevante veiligheidsrisico’s.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen risico’s op organisatieniveau en risico’s die samenhangen met de individuele behoeften en situatie van een jeugdige.

Op organisatieniveau gaat het onder meer om brandveiligheid, medicatieveiligheid, informatiebeveiliging, personele bezetting, vervanging, bereikbaarheid en handelen bij noodsituaties en calamiteiten.

Op individueel niveau kunnen onder meer risico’s rond agressie, weglopen, zelfbeschadiging, suïcidaliteit, seksuele veiligheid, middelengebruik, medicatie of andere voor de betreffende jeugdige relevante risico’s aan de orde zijn.

Risico’s worden niet uitsluitend op vaste momenten beoordeeld, maar opnieuw wanneer zich wezenlijke veranderingen voordoen, bijvoorbeeld bij een nieuwe plaatsing, verandering van zorgvraag, incident, verandering in bewonerssamenstelling of tijdelijke uitval van een gezinshuisouder.

Voor relevante risico’s zijn afspraken gemaakt over preventie, signalering, handelen, professionele opschaling en verantwoordelijkheid. Veiligheidsmaatregelen zijn passend en proportioneel en worden niet zonder individuele noodzaak als algemene beperking op alle jeugdigen toegepast.

2.3.3 Screening en wettelijke voorwaarden voor inzet

De jeugdhulpaanbieder waarborgt dat personen die beroepsmatig of niet-incidenteel als vrijwilliger in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders voldoen aan de voor hun inzet geldende wettelijke voorwaarden.

Voor personen voor wie wettelijk een verklaring omtrent het gedrag is vereist, beschikt de aanbieder tijdig over de vereiste VOG en wordt opnieuw een VOG verlangd wanneer daarvoor overeenkomstig de wet aanleiding bestaat.

Deze wettelijke screening vervangt niet de beoordeling of iemand beroepsmatig voldoende gekwalificeerd en vakbekwaam is voor de werkzaamheden die worden uitgevoerd. Omgekeerd vormt zij geen grond voor een onbeperkte beoordeling van het privéleven van de gezinshuisouder.

2.3.4 Meldcode, incidenten, calamiteiten en geweld

De jeugdhulpaanbieder beschikt over een actuele meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling.  De Jeugdwet verplicht jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen een dergelijke meldcode vast te stellen.

Incidenten, bijna-incidenten, klachten en andere relevante veiligheids- of kwaliteitssignalen worden onderzocht en benut om de zorg te verbeteren. Daarbij wordt gekeken naar wat is gebeurd, welke omstandigheden een rol speelden, of professioneel handelen of de organisatie van de zorg moet worden aangepast en welke maatregelen herhaling kunnen voorkomen.

Calamiteiten en geweld bij de verlening van jeugdhulp worden herkend en overeenkomstig de geldende wettelijke meldplicht onverwijld gemeld aan de bevoegde toezichthouder. Het melden van een incident wordt benut voor leren, veiligheid en kwaliteitsverbetering.

2.3.5 Dossiervoering, privacy en informatiebeveiliging

Professionele informatie over jeugdigen wordt zorgvuldig, actueel, relevant en navolgbaar vastgelegd. Informatie wordt uitsluitend verwerkt, ingezien en gedeeld voor zover daarvoor een professionele en rechtmatige grond bestaat.

De jeugdhulpaanbieder organiseert passende bescherming van persoonsgegevens en zorgt voor veilige toegang tot dossiers, digitale systemen en andere professionele informatie.

Er is een passende werkwijze voor informatiebeveiligingsincidenten en datalekken en voor het beperken en herstellen van eventuele gevolgen daarvan.

Professionele dossiers, zakelijke gegevens en informatie over jeugdigen worden zodanig georganiseerd dat zij voldoende zijn beschermd tegen onbevoegde toegang door huisgenoten, bezoekers of anderen die geen professionele toegang behoren te hebben.

De omstandigheid dat gezinshuiszorg in een private woning wordt geboden vermindert de eisen aan privacy, geheimhouding en informatiebeveiliging niet.

2.3.6 Professionele belastbaarheid en continuïteit

De professionele belastbaarheid van de gezinshuisouder wordt betrokken bij de kwaliteitsbewaking voor zover deze invloed heeft op de duurzame, veilige en verantwoorde uitvoering van de zorg.

Het gaat daarbij niet om een algemene beoordeling van de persoonlijkheid of het privéleven van de gezinshuisouder. Wanneer de professionele belastbaarheid, beschikbare capaciteit of continuïteit van de professionele inzet onder druk staat, worden tijdig passende maatregelen getroffen, zoals aanvullende ondersteuning, vervanging, tijdelijke vermindering van belasting of aanpassing van de zorgorganisatie.

De gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder wachten niet tot sprake is van uitval of acute onveiligheid wanneer structurele signalen wijzen op een niet-duurzame situatie.

2.3.7 Interne en externe kwaliteitstoetsing

Kwaliteit en veiligheid worden beoordeeld aan de hand van vooraf kenbare en navolgbare criteria en op basis van meerdere relevante informatiebronnen.

Jeugdigen worden op begrijpelijke wijze geïnformeerd over het doel en de werkwijze van gesprekken of onderzoek en krijgen, waar passend, gelegenheid zich te laten ondersteunen door iemand die zij vertrouwen.

Een eerste professioneel signaal, observatie of vermoeden kan aanleiding geven tot nader onderzoek. Conclusies over kwaliteit, veiligheid of professioneel handelen worden navolgbaar onderbouwd op basis van voldoende relevante en verifieerbare informatie.

Interne of externe toetsing respecteert de onderscheiden professionele verantwoordelijkheden en gaat niet verder dan noodzakelijk is voor het doel van de toetsing.

2.4 Verantwoordelijkheid en professionele autonomie

2.4.1 Verantwoordelijkheid van de jeugdhulpaanbieder

Gezinshuiszorg kan worden aangeboden door gezinshuisouders in dienstverband, gezinshuisouders die als zelfstandig ondernemer aan een zorgorganisatie zijn verbonden of gezinshuizen die zelf als jeugdhulpaanbieder optreden.

Bij iedere organisatievorm is duidelijk welke natuurlijke persoon of rechtspersoon als jeugdhulpaanbieder optreedt en wie voor welke onderdelen van de zorg organisatorisch verantwoordelijk en aanspreekbaar is.

Professionele werkzaamheden en verantwoordelijkheden kunnen worden uitgevoerd door individuele professionals, maar daarmee wordt de organisatorische verantwoordelijkheid van de jeugdhulpaanbieder niet overgedragen.

Wanneer een gezinshuis zelf als jeugdhulpaanbieder optreedt, rusten de verantwoordelijkheden die bij de rol als jeugdhulpaanbieder horen bij het gezinshuis.

2.4.2 Professionele verantwoordelijkheid van de gezinshuisouder

De gezinshuisouder is binnen de eigen beroepskwalificatie, vakbekwaamheid, bevoegdheid en toebedeelde professionele verantwoordelijkheid zelfstandig verantwoordelijk en aanspreekbaar voor het eigen professionele handelen.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen de organisatorische verantwoordelijkheid van de jeugdhulpaanbieder, de professionele verantwoordelijkheid van individuele professionals, de professionele regie over de hulp en juridische verantwoordelijkheden, zoals ouderlijk gezag of verantwoordelijkheden vanuit een kinderbeschermingsmaatregel.

Wanneer de gezinshuisouder geregistreerde professional is, draagt deze overeenkomstig Bouwsteen I in beginsel de professionele verantwoordelijkheid voor de gezinshuiszorg en de professionele regie over het hulpverleningsplan, voor zover de werkzaamheden binnen het eigen professionele domein en de eigen vakbekwaamheid vallen.

Wanneer de gezinshuisouder niet geregistreerd is, blijft deze zelfstandig professioneel verantwoordelijk voor de werkzaamheden en afwegingen die binnen de eigen beroepskwalificatie en vakbekwaamheid aan hem of haar zijn toebedeeld. Voor werkzaamheden of professionele verantwoordelijkheden waarvoor de norm verantwoorde werktoedeling een geregistreerde professional vereist, wordt een geregistreerde professional betrokken. Daarbij is vastgelegd welke werkzaamheden en verantwoordelijkheden bij ieder van hen liggen, wie de professionele regie voert en hoe overleg, bereikbaarheid en achtervang zijn georganiseerd.

De betrokkenheid van een geregistreerde professional betekent niet dat deze automatisch verantwoordelijk is voor al het professionele handelen van de niet-geregistreerde gezinshuisouder. Iedere professional is aanspreekbaar op de werkzaamheden en verantwoordelijkheden die aan hem of haar zijn toebedeeld.

2.4.3 Vastlegging van verantwoordelijkheden van de gezinshuisouder

De verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden is schriftelijk, actueel en navolgbaar vastgelegd op een wijze die past bij de organisatievorm. Dit kan bijvoorbeeld plaatsvinden in een professioneel statuut, kwaliteitshandboek, samenwerkingsovereenkomst of andere passende regeling.

2.4.4 Professionele zorg in een private woonomgeving

Kenmerkend voor gezinshuiszorg is dat professionele jeugdhulp kan worden geboden in een woonomgeving die voor gezinshuisouders en eventuele gezinsleden tevens hun private leefomgeving is.

Het volledige privéleven van de gezinshuisouder is daarom niet zonder meer onderwerp van professionele beoordeling, verantwoording of toezicht.

Aspecten van de woon- en leefsituatie zijn wel toetsbaar wanneer zij aantoonbaar en concreet relevant zijn voor de kwaliteit, veiligheid, continuïteit of rechtspositie van jeugdigen. Dit kan bijvoorbeeld betrekking hebben op fysieke veiligheid van de woning, privacy van jeugdigen, aanwezigheid of rol van andere personen, professionele grenzen of omstandigheden die de uitvoering van de zorg daadwerkelijk beïnvloeden.

Toezicht en kwaliteitsbeoordeling zijn doelgericht, proportioneel en beperkt tot wat voor het betreffende kwaliteits- of veiligheidsdoel noodzakelijk is.

Persoonlijke relaties, levensovertuiging, leefstijl, vrijetijdsbesteding en andere privéaangelegenheden zijn niet op zichzelf onderwerp van professionele beoordeling. Zij worden alleen betrokken voor zover aantoonbaar en concreet relevant voor de kwaliteit, veiligheid, continuïteit of rechtspositie van jeugdigen.

2.5 Goed bestuur, medezeggenschap en intern toezicht

2.5.1 Goed bestuur

Gezinshuiszorg heeft een maatschappelijke verantwoordelijkheid. De inrichting van bestuur, besluitvorming, toezicht en verantwoording past bij de omvang, rechtsvorm, complexiteit en risico’s van de jeugdhulpaanbieder.

Goed bestuur richt zich onder meer op duidelijke verantwoordelijkheden en bevoegdheden, kwaliteit en veiligheid, integere en navolgbare besluitvorming, het voorkomen en beheersen van belangenverstrengeling, financiële en organisatorische continuïteit en het organiseren van kritische tegenspraak.

Binnen deze kwaliteitscriteria wordt de Governancecode Zorg 2022 gebruikt als richtinggevend referentiekader voor goed bestuur. De toepassing wordt afgestemd op de aard en omvang van de organisatie, zoals de Governancecode beschrijft voor kleine zorgorganisaties met minder dan vijftig medewerkers of zzp’ers.

2.5.2 Medezeggenschap en collectieve invloed

Binnen het gezinshuis krijgen jeugdigen en ouders op een laagdrempelige wijze gelegenheid om ervaringen, wensen en opvattingen over onderwerpen van gemeenschappelijk belang in te brengen. De wijze waarop dit wordt georganiseerd sluit aan bij de kleinschalige, huiselijke setting en bij de leeftijd, ontwikkeling en mogelijkheden van de jeugdigen.

Inspraak kan plaatsvinden tijdens dagelijkse gesprekken, regelmatige keukentafel overleggen of andere passende contactmomenten. Daarbij is ruimte om mee te denken over het dagelijks samenleven, gezamenlijke afspraken en verbetering van de gezinshuiszorg. Jeugdigen krijgen ook gelegenheid om hun inbreng afzonderlijk te delen.

Ouders krijgen een toegankelijke mogelijkheid om ervaringen en verbeterpunten in te brengen, ook wanneer zij op afstand betrokken zijn. Dit kan tijdens bestaande contacten of via afzonderlijke telefonische of digitale gesprekken. Gezamenlijke fysieke aanwezigheid is hiervoor niet noodzakelijk.

De gezinshuisouder betrekt relevante signalen bij de dagelijkse praktijk en kwaliteitsverbetering en koppelt begrijpelijk terug wat daarmee wordt gedaan. De wijze waarop de inbreng en opvolging inzichtelijk worden gemaakt, past bij de omvang en organisatievorm van het gezinshuis.

De jeugdhulpaanbieder stelt vast welke wettelijke verplichtingen voor cliënten medezeggenschap van toepassing zijn en voldoet daaraan. Wanneer een cliëntenraad wettelijk verplicht is, wordt deze overeenkomstig de geldende eisen ingericht. 

2.5.3 Intern toezicht

De jeugdhulpaanbieder stelt vast of de wettelijke verplichting tot onafhankelijk intern toezicht op de organisatie van toepassing is.

Bij de beoordeling of de wettelijke drempel wordt bereikt, wordt gekeken naar de jeugdhulpaanbieder als organisatie en niet uitsluitend naar één afzonderlijk gezinshuis wanneer meerdere gezinshuizen onder dezelfde aanbieder vallen.

Wanneer onafhankelijk intern toezicht wettelijk verplicht is, wordt dit onafhankelijk en overeenkomstig de geldende eisen ingericht. De verantwoordelijkheidsverdeling tussen bestuur en intern toezichthouder is schriftelijk vastgelegd en de toezichthouder beschikt over voldoende informatie om de taak daadwerkelijk te kunnen uitvoeren.

Intern toezicht richt zich op bestuur, kwaliteit, veiligheid, continuïteit en de algemene gang van zaken binnen de organisatie. De interne toezichthouder neemt geen individuele professionele verantwoordelijkheid of beslissingen over de hulp aan een jeugdige over.

2.6 Financiën en bedrijfscontinuïteit

De financiële bedrijfsvoering van het gezinshuis is zodanig ingericht dat kwaliteit, veiligheid en continuïteit van de gezinshuiszorg duurzaam kunnen worden gewaarborgd.

De jeugdhulpaanbieder heeft voldoende inzicht in de financiële positie en kan verantwoorden hoe middelen voor de gezinshuiszorg worden ingezet. De zakelijke administratie is actueel, navolgbaar en controleerbaar.

Zakelijke middelen en verplichtingen die samenhangen met de gezinshuiszorg zijn voldoende te onderscheiden van de privéfinanciën van de gezinshuisouder. Dit betekent niet dat het volledige privévermogen of de volledige privé-administratie onderdeel wordt van kwaliteitsverantwoording.

Wanneer een gezinshuis onderdeel is van of contractueel is verbonden aan een zorgorganisatie, zijn afspraken over tarieven, vergoedingen, inhoudingen, geleverde diensten, risico’s en verantwoordelijkheden transparant en uitlegbaar.

Financiële of bedrijfsmatige overwegingen zijn niet leidend bij professionele besluiten over plaatsing, voortzetting of beëindiging van zorg. Een nieuwe plaatsing vindt alleen plaats wanneer deze professioneel verantwoord is en past bij de beschikbare deskundigheid, samenstelling, capaciteit en mogelijkheden van het gezinshuis.

Wanneer de zorgbehoeften of samenstelling veranderen, wordt beoordeeld of de beschikbare personele, professionele, organisatorische en financiële middelen nog toereikend zijn.

Financiële risico’s die de continuïteit van wonen en zorg kunnen bedreigen worden tijdig gesignaleerd en beheerst. Wanneer financiële belangen en zorginhoudelijke belangen met elkaar botsen, zijn veiligheid, verantwoorde zorg en de rechten en belangen van de jeugdige leidend.

De aanbieder voldoet steeds aan de op dat moment geldende wettelijke eisen op het gebied van financiële bedrijfsvoering, openbare verantwoording en goed bestuur.

3. Veldnormen Professionele organisatie, kwaliteit en verantwoording

3.1 Professionele organisatie van de zorg

3.1.1 Vakbekwaamheid en aanvullende deskundigheid

De gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder:

  • De gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder zorgen ervoor dat werkzaamheden aansluiten bij de beroepskwalificatie, vakbekwaamheid, het professioneel domein en, waar van toepassing, de beroepsregistratie;
  • Hanteren als uitgangspunt dat een geregistreerde gezinshuisouder professionele verantwoordelijkheid draagt voor werkzaamheden die binnen het eigen professionele domein en de eigen vakbekwaamheid vallen;
  • Organiseren geen standaard toezicht of goedkeuring door een gedragswetenschapper of andere geregistreerde professional wanneer de zorgvraag of verantwoordelijkheidsverdeling daartoe geen aanleiding geeft;
  • Betrekken aanvullende deskundigheid wanneer de aard of complexiteit van de zorg, risico’s of grenzen van de vakbekwaamheid dit vereisen;
  • Zorgen bij inzet van een niet-geregistreerde gezinshuisouder dat duidelijk is welke werkzaamheden deze zelfstandig uitvoert en voor welke werkzaamheden of verantwoordelijkheden een geregistreerde professional nodig is;
  • Passen de norm verantwoorde werktoedeling toe en kunnen de gemaakte werktoedeling onderbouwen.

3.1.2 Diagnostiek en behandeling

De gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder:

  • Zorgen ervoor dat diagnostiek en behandeling worden uitgevoerd door een daarvoor bevoegde en vakbekwame professional;
  • Maken duidelijk wie verantwoordelijk is voor diagnostiek of behandeling en wie voor de gezinshuiszorg;
  • Vertalen behandeladviezen, voor zover passend bij de rol van de gezinshuisouder, naar afspraken voor de dagelijkse opvoeding, begeleiding en ondersteuning;
  • Evalueren de uitvoering en effecten van deze afspraken en stemmen waar nodig af met de behandelaar;
  • Bewaken dat iedere professional handelt binnen de eigen bevoegdheid en vakbekwaamheid en dat betrokkenheid van een behandelaar niet automatisch leidt tot overdracht van verantwoordelijkheid voor de gezinshuiszorg.

3.1.3 Professionele ontwikkeling en reflectie

De gezinshuisouder:

  • Onderhoudt de vakbekwaamheid overeenkomstig de eisen die voortvloeien uit de toepasselijke beroepsregistratie of Bouwsteen I;
  • Neemt deel aan professionele reflectie en deskundigheidsbevordering en benut de uitkomsten voor het professionele handelen;
  • Betrekt ervaringen uit incidenten, evaluaties, feedback en kwaliteitsonderzoek bij de professionele ontwikkeling;
  • Herkent de grenzen van de eigen deskundigheid en handelt daarnaar.

3.1.4 Personele ondersteuning

De gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder:

  • Leggen voor structureel ingezette professionals en medewerkers vast welke werkzaamheden, bevoegdheden en verantwoordelijkheden zij hebben en op welke kwalificatie en vakbekwaamheid hun inzet is gebaseerd;
  • Beperken het aantal verschillende personen dat in de dagelijkse zorg wordt ingezet zoveel mogelijk en wegen daarbij continuïteit en vertrouwdheid voor jeugdigen mee;
  • Laten personen zonder de benodigde kwalificatie of vakbekwaamheid geen werkzaamheden uitvoeren waarvoor deskundigheid, bevoegdheid of registratie vereist is;
  • Onderscheiden professionele inzet, ondersteunende werkzaamheden en informele hulp.

3.1.5 Vervanging en professionele achtervang

De gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder:

  • Beschikken over afspraken voor vervanging, bereikbaarheid en professionele achtervang en maken duidelijk hoe bij afwezigheid of uitval de dagelijkse zorg en professionele verantwoordelijkheden worden voortgezet;
  • Zorgen ervoor dat jeugdigen weten bij wie zij terechtkunnen wanneer de gezinshuisouder niet beschikbaar is;
  • Zetten vervangers in die vakbekwaam zijn voor de werkzaamheden die zij uitvoeren en zorgen er waar mogelijk voor dat zij bij de jeugdigen bekend zijn;
  • Organiseren bij inzet van een niet-geregistreerde vervanger professionele achtervang voor werkzaamheden of verantwoordelijkheden waarvoor een geregistreerde professional nodig is;
  • Organiseren de zorg zo dat gezinshuisouders gebruik kunnen maken van rust, herstel, vrije tijd, vakantie, scholing en professionele reflectie zonder dat de continuïteit van de zorg wegvalt.

3.2 Professionele samenwerking en ketensamenwerking

3.2.1 Samenwerking rond de jeugdige

De gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder:

  • Zorgen er bij betrokkenheid van meerdere professionals voor dat duidelijk is wie welke werkzaamheden uitvoert, wie professionele regie voert en wie voor onderdelen van de hulp aanspreekbaar is;
  • Voorkomen dat een organisatorische of juridische regierol van een andere partij automatisch wordt gelijkgesteld aan professionele verantwoordelijkheid voor de gezinshuiszorg;
  • Wisselen informatie uit voor zover dit noodzakelijk en rechtmatig is binnen de geldende privacy-, toestemmings- en geheimhoudingskaders;
  • Zorgen ervoor dat besluiten en afspraken die van belang zijn voor de dagelijkse gezinshuiszorg bij de gezinshuisouder bekend zijn;
  • Zorgen ervoor dat professionals elkaar kunnen aanspreken op professioneel handelen en zorgen of verschillen van inzicht bespreekbaar kunnen maken;
  • Organiseren bij verschil van professioneel inzicht overleg en, wanneer nodig, inhoudelijke of organisatorische opschaling;
  • Beperken wisselingen van betrokken professionals waar mogelijk en zorgen bij wisselingen voor overdracht van de benodigde informatie.

3.2.2 Toegang tot expertise

De gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder:

  • Zorgen ervoor dat aanvullende deskundigheid, diagnostiek, behandeling, juridische ondersteuning en andere expertise beschikbaar zijn binnen een termijn die past bij de zorgvraag;
  • Onderhouden contacten met ketenpartners die nodig zijn voor de uitvoering van de hulp;
  • Maken voor verwijzers en opdrachtgevers duidelijk welke zorg het gezinshuis kan bieden, waar grenzen van deskundigheid en capaciteit liggen en welke aanvullende ondersteuning nodig kan zijn;
  • Signaleren wanneer benodigde ondersteuning niet beschikbaar is en dit gevolgen kan hebben voor verantwoorde zorg.

3.2.3 Matching en informatievoorziening

De inhoudelijke eisen aan matching zijn uitgewerkt in Bouwsteen III. Vanuit de professionele organisatie geldt aanvullend dat de gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder:

  • Het plaatsingsproces zo inrichten dat de gezinshuisouder vanuit de eigen professionele verantwoordelijkheid kan beoordelen of een plaatsing passend en verantwoord is;
  • Een gemotiveerd professioneel bezwaar van de gezinshuisouder tegen een plaatsing inhoudelijk beoordelen en een plaatsing niet uitsluitend vanwege financiële, contractuele of organisatorische belangen doorzetten;
  • Voorafgaand aan de plaatsing beschikken over de informatie die nodig is voor matching, veiligheidsinschatting en voorbereiding van de zorg;
  • Ontbrekende informatie die van belang is voor de beoordeling van een plaatsing meenemen in de besluitvorming;
  • Informatie alleen delen en ontvangen voor zover dit noodzakelijk en rechtmatig is.

3.2.4 Informele ondersteuning en professionele grenzen

De gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder:

  • De gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder stellen een bepaald privénetwerk van de gezinshuisouder niet als voorwaarde voor vakbekwaamheid of verantwoorde gezinshuiszorg;
  • Maken bij inzet van personen uit het informele netwerk duidelijk welke rol en werkzaamheden zij hebben;
  • Laten informele ondersteuners geen professionele werkzaamheden of verantwoordelijkheden overnemen waarvoor zij niet gekwalificeerd, vakbekwaam of bevoegd zijn;
  • Zorgen ervoor dat professionele continuïteit niet afhankelijk is van structurele, niet-professioneel georganiseerde inzet van familie, vrienden of andere privécontacten van de gezinshuisouder.

3.3 Kwaliteit en veiligheid

3.3.1 Systematische kwaliteitsverbetering

De gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder:

  • Werken met een kwaliteitsmanagementsysteem en PDCA-cyclus, die past bij de omvang en organisatievorm van de jeugdhulpaanbieder;
  • Betrekken ervaringen van jeugdigen en ouders en signalen uit klachten, incidenten, evaluaties en professionele reflectie bij de beoordeling van de kwaliteit;
  • Leggen verbeteracties, verantwoordelijkheid en wijze van evalueren vast;
  • Volgen de uitvoering en het effect van verbetermaatregelen en vertalen terugkerende signalen naar verbetering op organisatieniveau.

3.3.2 Veiligheidsmanagement

De gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder:

  • Brengen veiligheidsrisico’s op organisatie- en cliëntniveau in beeld en beoordelen deze opnieuw bij veranderingen;
  • Leggen waar nodig preventieve maatregelen, signalen, handelingsafspraken en verantwoordelijkheden vast;
  • Beschikken over afspraken voor onder meer brandveiligheid, fysieke veiligheid, medicatieveiligheid, informatiebeveiliging, bereikbaarheid en handelen bij calamiteiten;
  • Passen veiligheidsmaatregelen alleen toe wanneer daarvoor een individuele of andere rechtmatige grond bestaat.

3.3.3 Screening en wettelijke voorwaarden voor inzet

De gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder:

  • Stelt vast voor welke personen een VOG verplicht is en controleert dat deze bij aanvang aan de wettelijke eisen voldoet;
  • Verlangt opnieuw een VOG wanneer dit op grond van de wet vereist is;
  • Onderscheidt wettelijke screening van de beoordeling van beroepskwalificatie en vakbekwaamheid;
  • Gebruikt de VOG-verplichting niet als grond voor beoordeling van het privéleven buiten wat voor de wettelijke screening van belang is.

3.3.4 Meldcode, incidenten, calamiteiten en geweld

De gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder:

  • Kennen en gebruiken de geldende meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling;
  • Registreren en analyseren incidenten, bijna-incidenten en veiligheidsmeldingen en leggen waar nodig verbetermaatregelen vast;
  • Beoordelen terugkerende patronen ook op organisatieniveau en benutten deze voor leren en verbeteren;
  • Herkennen calamiteiten en geweld bij de verlening van jeugdhulp en melden deze overeenkomstig de wettelijke meldplicht;
  • Beschouwen een incidentmelding op zichzelf niet als bewijs van professioneel tekortschieten.

3.3.5 Dossiervoering, privacy en informatiebeveiliging

De gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder:

  • Zorgen voor actuele en navolgbare dossiervoering;
  • Verwerken en delen persoonsgegevens alleen wanneer daarvoor een rechtmatige grond bestaat;
  • Beperken toegang tot dossiers en professionele informatie tot personen die deze voor hun werkzaamheden nodig hebben;
  • Treffen organisatorische en technische maatregelen voor informatiebeveiliging;
  • Beschikken over een werkwijze voor informatiebeveiligingsincidenten en datalekken;
  • Beschermen professionele informatie in de woning tegen onbevoegde toegang door huisgenoten, bezoekers of andere derden;
  • Onderscheiden professionele dossiers en zakelijke informatie van privé-administratie en privécommunicatie.

3.3.6 Professionele belastbaarheid en continuïteit

De gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder:

  • Signaleren wanneer belastbaarheid, capaciteit of continuïteit van de zorg onder druk staat en organiseren dan ondersteuning, vervanging, achtervang of aanpassing van de zorg;
  • Betrekken structurele belasting en ruimte voor herstel bij de organisatie van gezinshuiszorg;
  • Beoordelen belastbaarheid vanuit de professionele uitvoerbaarheid en niet vanuit een algemene beoordeling van persoonlijkheid of privéleven;
  • Treffen maatregelen wanneer verantwoorde uitvoering van de zorg niet meer kan worden geborgd.

3.3.7 Interne en externe kwaliteitstoetsing

De gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder:

  • Organiseert kwaliteitstoetsing op basis van vooraf kenbare criteria en meerdere informatiebronnen;
  • Geeft jeugdigen en ouders gelegenheid hun ervaringen rechtstreeks te delen;
  • Informeert jeugdigen begrijpelijk over doel en werkwijze van gesprekken of onderzoek en biedt waar passend de mogelijkheid zich te laten ondersteunen door iemand die zij vertrouwen;
  • Zorgt ervoor dat conclusies over kwaliteit en veiligheid herleidbaar zijn tot feiten, observaties, documenten en gesprekken;
  • Beschouwt een signaal, observatie of vermoeden als mogelijke aanleiding voor nader onderzoek en niet als voldoende grond voor een definitieve conclusie;
  • Organiseert onafhankelijke of externe toetsing wanneer dit wettelijk vereist is of vanuit kwaliteitsborging nodig is.

3.4 Verantwoordelijkheid en professionele autonomie

3.4.1 Verantwoordelijkheid van de jeugdhulpaanbieder

De gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder:

  • Legt vast welke natuurlijke persoon of rechtspersoon als jeugdhulpaanbieder optreedt;
  • Draagt de organisatorische verantwoordelijkheid voor kwaliteit, veiligheid, continuïteit, verantwoorde werktoedeling, kwaliteitsbewaking, vervanging en professionele achtervang;
  • Behoudt deze organisatorische verantwoordelijkheid wanneer professionele werkzaamheden door individuele professionals worden uitgevoerd;
  • Organiseert deze verantwoordelijkheden zelf wanneer het gezinshuis zelfstandig jeugdhulpaanbieder is.

3.4.2 Professionele verantwoordelijkheid van de gezinshuisouder

De gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder:

  • Maken duidelijk welke werkzaamheden en professionele verantwoordelijkheden de gezinshuisouder draagt en borgen dat deze daarbinnen zelfstandig professionele afwegingen kan maken;
  • Hanteren bij een geregistreerde gezinshuisouder als uitgangspunt dat deze overeenkomstig Bouwsteen I de professionele verantwoordelijkheid en regie draagt voor de gezinshuiszorg en het hulpverleningsplan, voor zover dit binnen het eigen professionele domein en de vakbekwaamheid valt;
  • Leggen een afwijking van dit uitgangspunt gemotiveerd vast;
  • Erkennen dat beroepsregistratie niet automatisch verantwoordelijkheid geeft voor werkzaamheden buiten het professionele domein of de vakbekwaamheid;
  • Organiseren geen standaard toezicht of goedkeuring door een gedragswetenschapper of tweede geregistreerde professional wanneer daarvoor vanuit zorgvraag, wet of vakbekwaamheid geen grond bestaat;
  • Leggen bij betrokkenheid van een andere geregistreerde of specialistische professional vast voor welke werkzaamheden en beslissingen deze verantwoordelijkheid draagt;
  • Maken bij een niet-geregistreerde gezinshuisouder duidelijk welke werkzaamheden deze zelfstandig uitvoert en voor welke werkzaamheden of verantwoordelijkheden een geregistreerde professional nodig is.

3.4.3 Vastlegging van verantwoordelijkheden

De gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder:

  • Legt schriftelijk en actueel vast wie aanbieder is, wie professionele regie voert, wie verantwoordelijk is voor het hulpverleningsplan en hoe consultatie, opschaling, vervanging en professionele achtervang zijn georganiseerd;
  • Maakt de verantwoordelijkheidsverdeling in begrijpelijke vorm beschikbaar voor jeugdigen en ouders;
  • Zorgt bij samenwerking met meerdere organisaties dat duidelijk is welke organisatie voor welk onderdeel verantwoordelijk en aanspreekbaar is;
  • Signaleert en herstelt onduidelijkheid, tegenstrijdigheid of overlap in verantwoordelijkheden.

3.4.4 Professionele zorg in een private woonomgeving

De gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder:

  • Beperken toezicht en kwaliteitsbeoordeling tot aspecten die relevant zijn voor kwaliteit, veiligheid, continuïteit, rechtmatigheid of de rechtspositie van jeugdigen;
  • Respecteren de privacy en persoonlijke levenssfeer van de gezinshuisouder en andere gezinsleden;
  • Betrekken privéomstandigheden alleen bij een kwaliteits- of veiligheidsbeoordeling wanneer een concrete relatie met de professionele zorg bestaat;
  • Beschouwen de woning en woonomgeving als toetsbaar voor zover deze onderdeel zijn van de zorgomgeving van jeugdigen;
  • Gebruiken persoonlijke relaties, levensovertuiging, leefstijl, vrijetijdsbesteding of andere privéaangelegenheden niet als zelfstandige selectie- of beoordelingscriteria;
  • Zorgen ervoor dat toezicht proportioneel is en niet verder gaat dan voor het kwaliteits- of veiligheidsdoel nodig is.

3.5 Goed bestuur, medezeggenschap en intern toezicht

3.5.1 Goed bestuur

De gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder:

  • Legt bestuurlijke verantwoordelijkheden en bevoegdheden vast;
  • Richt bestuur, toezicht en tegenspraak in op een wijze die past bij omvang, rechtsvorm, complexiteit en risico’s van de aanbieder;
  • Borgt kwaliteit, veiligheid, financiële continuïteit en integere besluitvorming;
  • Signaleert en beheerst belangenverstrengeling;
  • Legt bestuurlijke besluiten die gevolgen hebben voor kwaliteit of continuïteit vast;
  • Kan uitleggen hoe kritische tegenspraak en reflectie op bestuurlijk handelen zijn georganiseerd.

3.5.2 Medezeggenschap en collectieve invloed

De gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder:

  • Stelt vast welke wettelijke medezeggenschapsverplichtingen van toepassing zijn en voldoet daaraan;
  • Organiseert een vorm van medezeggenschap of collectieve invloed die past bij de wettelijke verplichtingen, omvang en organisatievorm;
  • Biedt ruimte voor de gemeenschappelijke belangen en ervaringen van jeugdigen en ouders;
  • Betrekt signalen en adviezen uit medezeggenschap of collectieve invloed bij beleid en kwaliteitsverbetering en maakt zichtbaar wat daarmee wordt gedaan.

3.5.3 Intern toezicht

De jeugdhulpaanbieder:

  • Stelt vast of onafhankelijk intern toezicht wettelijk verplicht is en voldoet, wanneer dit het geval is, aan de daarvoor geldende eisen;
  • Zorgt ervoor dat intern toezicht over de informatie beschikt die nodig is voor toezicht op bestuur, kwaliteit, veiligheid, continuïteit en bedrijfsvoering;
  • Houdt bestuur en intern toezicht functioneel van elkaar onderscheiden en legt hun verantwoordelijkheden en bevoegdheden vast;
  • Waarborgt dat intern toezicht geen professionele beslissingen over de hulp aan individuele jeugdigen overneemt;
  • Vertaalt uitkomsten van intern toezicht of georganiseerde tegenspraak waar nodig naar verbetermaatregelen.

3.6 Financiën en bedrijfscontinuïteit

De gezinshuisouder en jeugdhulpaanbieder:

  • Houdt een actuele en controleerbare zakelijke administratie;
  • Onderscheidt zakelijke middelen, inkomsten, kosten en verplichtingen van de gezinshuiszorg van privéfinanciën;
  • Kan verantwoorden hoe zorgmiddelen worden ingezet voor de uitvoering, kwaliteit en continuïteit van de gezinshuiszorg;
  • Maakt bij samenwerking met een zorgorganisatie tarieven, vergoedingen, inhoudingen, geleverde diensten en financiële verantwoordelijkheden inzichtelijk;
  • Volgt de financiële positie en herkent risico’s voor de continuïteit van wonen en zorg;
  • Treft maatregelen wanneer financiële of bedrijfsmatige risico’s de continuïteit van de zorg bedreigen;
  • Laat financiële belangen niet bepalend zijn voor het aangaan, voortzetten, wijzigen of beëindigen van een plaatsing wanneer dit zorginhoudelijk niet verantwoord is;
  • Beoordeelt bij veranderingen in zorgvraag, zorgzwaarte of bewonerssamenstelling of de personele, professionele, organisatorische en financiële middelen nog toereikend zijn;
  • Voldoet aan de wettelijke verplichtingen voor financiële bedrijfsvoering, openbare verantwoording en goed bestuur.

Samen werken aan professionele en toekomstbestendige gezinshuiszorg

Aan de inhoud van deze site kunnen geen rechten worden ontleend. kwaliteitscriteriagezinshuizen.nl sluit aansprakelijkheid uit voor elke directe of indirecte schade, van welke aard dan ook, die voortvloeit uit of verband houdt met: het gebruik van deze website en/of het gebruik van informatie van deze website.

Een initiatief van

Image